Rinvoq 15mg Verlengde Afgifte Tabl 98
Op voorschrift
Geneesmiddel

Rinvoq 15mg Verlengde Afgifte Tabl 98

  € 2.509,55

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 15,90 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 10,50 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Niet beschikbaar

Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.

Upadacitinib dient bij de volgende patiënten alleen te worden gebruikt wanneer er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn: - patiënten van 65 jaar en ouder; - patiënten met een atherosclerotische cardiovasculaire aandoening of andere cardiovasculaire risicofactoren in de medische voorgeschiedenis (zoals patiënten die roken of eerder langdurig hebben gerookt); - patiënten met risicofactoren voor maligniteiten (bijv. patiënten met een aanwezige maligniteit of een maligniteit in de medische voorgeschiedenis). Gebruik bij patiënten van 65 jaar en ouder Gezien het verhoogde risico op MACE, maligniteiten, ernstige infecties en overlijden ongeacht de oorzaak bij patiënten van 65 jaar en ouder, wat in een groot gerandomiseerd onderzoek naar tofacitinib (een andere Janus-kinaseremmer (JAK-remmer)) is vastgesteld, dient upadacitinib bij deze patiënten alleen te worden gebruikt wanneer er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn. Bij patiënten van 65 jaar en ouder is er met 30 mg upadacitinib eenmaal daags een verhoogd risico op bijwerkingen. Daarom is de aanbevolen dosering voor langdurig gebruik bij deze patiëntengroep 15 mg eenmaal daags (zie rubriek 4.2 en 4.8). Immunosuppressiva Combinaties met andere krachtige immunosuppressiva, zoals azathioprine, 6-mercaptopurine, ciclosporine, tacrolimus en biologische DMARD's of andere JAK-remmers zijn niet in klinische onderzoeken geëvalueerd en worden niet aanbevolen omdat een risico op versterkte immunosuppressie niet kan worden uitgesloten. Ernstige infecties Er is bij patiënten die upadacitinib kregen melding gemaakt van ernstige en soms dodelijke infecties. De vaakst gemelde ernstige infecties bij upadacitinib waren pneumonie (zie rubriek 4.8) en cellulitis. Er is bij patiënten die upadacitinib kregen melding gemaakt van gevallen van bacteriële meningitis en sepsis. Opportunistische infecties die werden gemeld bij upadacitinib waren tuberculose, multidermatomale herpes zoster, orale/oesofageale candidiasis en cryptokokkose. Upadacitinib mag niet worden ingezet bij patiënten met een actieve, ernstige infectie, met inbegrip van lokale infecties (zie rubriek 4.3). Overweeg de risico's en voordelen van de behandeling voordat u upadacitinib inzet bij patiënten: - met een chronische of terugkerende infectie; - die zijn blootgesteld aan tuberculose; - met een geschiedenis van een ernstige of opportunistische infectie; - die in gebieden hebben gewoond of naar gebieden zijn gereisd met endemische tuberculose of endemische mycosen; of - met onderliggende aandoeningen die hen predisponeren voor een infectie. Patiënten moeten zorgvuldig gecontroleerd worden op het ontstaan van tekenen en symptomen van infectie tijdens en na de behandeling met upadacitinib. De behandeling met upadacitinib moet worden onderbroken als een patiënt een ernstige of opportunistische infectie krijgt. Een patiënt die tijdens de behandeling met upadacitinib een nieuwe infectie krijgt, moet onmiddellijk worden onderworpen aan een volledig diagnostisch onderzoek dat geschikt is voor een immuungecompromitteerde patiënt; een gepaste antimicrobiële therapie moet worden ingezet, de patiënt moet nauwgezet worden gecontroleerd en de behandeling met upadacitinib moet worden onderbroken als de patiënt niet op de antimicrobiële therapie reageert. De behandeling met upadacitinib mag worden hervat wanneer de infectie onder controle is. Bij 30 mg upadacitinib werd een hoger percentage ernstige infecties gezien dan bij 15 mg upadacitinib. Aangezien er in het algemeen een hogere incidentie van infecties is bij ouderen en patiëntengroepen met diabetes, is er voorzichtigheid geboden bij de behandeling van ouderen en patiënten met diabetes. Bij patiënten van 65 jaar en ouder dient upadacitinib alleen te worden gebruikt als er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn (zie rubriek 4.2). Tuberculose Patiënten moeten op tuberculose (tb) worden gescreend voordat met een behandeling met upadacitinib wordt begonnen. Upadacitinib mag niet worden gegeven aan patiënten met actieve tb (zie rubriek 4.3). Anti-tb-therapie moet worden overwogen voordat upadacitinib wordt ingezet bij patiënten met eerder onbehandelde latente tb of patiënten met risicofactoren voor een tb-infectie. Het wordt aanbevolen een arts met expertise in de behandeling van tb te raadplegen als hulp bij de beslissing of het inzetten van anti-tb-therapie aangewezen is voor een bepaalde patiënt. Patiënten moeten gecontroleerd worden op tekenen en symptomen van tb, inclusief patiënten die voordat de therapie werd ingezet een negatieve test hadden voor een latente tb-infectie. Virale reactivatie In klinische onderzoeken werd melding gemaakt van virale reactivering, inclusief gevallen van reactivering van het herpesvirus (bijv. herpes zoster) (zie rubriek 4.8). Het risico op herpes zoster lijkt hoger te zijn bij Japanse patiënten die werden behandeld met upadacitinib. Als een patiënt herpes zoster krijgt, moet onderbreking van de behandeling met upadacitinib worden overwogen tot de episode is verdwenen. Een screening op virale hepatitis en controle op reactivering moeten worden uitgevoerd voordat de behandeling met upadacitinib wordt gestart en gedurende de behandeling. Patiënten die positief waren voor hepatitis C-antilichamen en RNA van het hepatitis C-virus waren uitgesloten van deelname aan de klinische onderzoeken. Patiënten die positief waren voor hepatitis B-oppervlakteantigeen en DNA van het hepatitis B-virus waren uitgesloten van deelname aan de klinische onderzoeken. Als DNA van het hepatitis B-virus wordt gedetecteerd tijdens het gebruik van upadacitinib, moet een leverspecialist worden geraadpleegd. Vaccinatie Er zijn geen gegevens beschikbaar over de respons op vaccinaties met levende vaccins bij patiënten die upadacitinib krijgen. Het gebruik van levende, verzwakte vaccins tijdens of onmiddellijk vóór de behandeling met upadacitinib wordt niet aanbevolen. Vóór inzetten van een behandeling met upadacitinib wordt aanbevolen dat patiënten voldoende gevaccineerd zijn, inclusief een profylactische vaccinatie tegen herpes zoster, overeenkomstig de huidige vaccinatierichtlijnen (zie rubriek 5.1). Maligniteiten Bij patiënten die met een JAK-remmer (inclusief upadacitinib) zijn behandeld, zijn lymfoom en andere maligniteiten gemeld. In een groot gerandomiseerd, onderzoek met actieve comparator naar tofacitinib (een andere JAK-remmer) bij patiënten met reumatoïde artritis van 50 jaar en ouder met minimaal één bijkomende cardiovasculaire risicofactor, is bij tofacitinib een hoger aantal gevallen van maligniteit, met name longkanker, lymfoom en niet-melanoom huidkanker (NMSC), gezien dan bij tumornecrosefactorremmers (TNF-remmers). Bij 30 mg upadacitinib werd een groter aantal gevallen van maligniteit gezien dan bij 15 mg upadacitinib. Bij patiënten van 65 jaar en ouder, patiënten die roken of eerder langdurig hebben gerookt, of met andere risicofactoren voor maligniteiten (bijv. patiënten met een aanwezige maligniteit of een maligniteit in de medische voorgeschiedenis), dient upadacitinib alleen te worden gebruikt als er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn. Niet-melanoom huidkanker (NMSC) NMSC's zijn gemeld bij patiënten die werden behandeld met upadacitinib (zie rubriek 4.8). Bij 30 mg upadacitinib werd een groter aantal gevallen van NMSC gezien dan bij 15 mg upadacitinib. Periodiek huidonderzoek wordt aanbevolen voor alle patiënten, met name voor patiënten met risicofactoren voor huidkanker. Hematologische afwijkingen Bij ≤1 % van de patiënten in klinische onderzoeken werd melding gemaakt van een absolute neutrofielentelling (ANC) <� 1 x 10^9 cellen/l, absolute lymfocytentelling (ALC) <� 0,5 x 10^9 cellen/l en hemoglobine <� 8 g/dl (zie rubriek 4.8). De behandeling mag niet worden ingezet of moet tijdelijk worden onderbroken bij patiënten met een waargenomen ANC <� 1 x 10^9 cellen/l, ALC <� 0,5 x 10^9 cellen/l of hemoglobine <� 8 g/dl tijdens routinecontroles van de patiënt (zie rubriek 4.2). Gastro‑intestinale perforaties Gevallen van diverticulitis en gastro‑intestinale perforaties zijn gemeld in klinische onderzoeken en tijdens post-marketing observaties (zie rubriek 4.8). Voorzichtigheid is geboden bij gebruik van upadacitinib bij patiënten die mogelijk risico lopen op een gastro‑intestinale perforatie (bijvoorbeeld patiënten met een divertikelaandoening, een voorgeschiedenis van diverticulitis, of patiënten die NSAID's, corticosteroïden of opioïden gebruiken). Patiënten met actieve ziekte van Crohn hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van een darmperforatie. Patiënten die nieuwe buiksymptomen en –klachten vertonen, moeten onmiddellijk worden geëvalueerd, zodat diverticulitis of gastro‑intestinale perforatie in een vroeg stadium kan worden vastgesteld. Ernstige ongewenste cardiovasculaire voorvallen In klinische onderzoeken naar upadacitinib zijn MACE-voorvallen waargenomen. In een groot gerandomiseerd onderzoek met actieve comparator naar tofacitinib (een andere JAK-remmer) bij patiënten met reumatoïde artritis van 50 jaar en ouder met minimaal één bijkomende cardiovasculaire risicofactor, is bij tofacitinib een hoger aantal gevallen van MACE (gedefinieerd als cardiovasculair overlijden, niet-fataal myocardinfarct (MI) en niet-fatale beroerte) opgetreden dan bij TNF-remmers. Bij patiënten van 65 jaar en ouder, patiënten die roken of eerder langdurig hebben gerookt, en bij patiënten met een atherosclerotische cardiovasculaire aandoening of andere cardiovasculaire risicofactoren in de medische voorgeschiedenis dient upadacitinib daarom alleen te worden gebruikt als er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn. Lipiden De behandeling met upadacitinib werd in verband gebracht met een dosisafhankelijke toename in lipideparameters, inclusief totaal cholesterol, low-density lipoproteïne (LDL)-cholesterol en high-density lipoproteïne (HDL)-cholesterol (zie rubriek 4.8). In respons op een behandeling met statinen namen verhoogde LDL-cholesterolwaarden af tot de waarden van vóór de behandeling, hoewel het bewijs hiervoor beperkt is. Het effect van deze verhoogde lipidenparameters op cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit is niet vastgesteld (zie rubriek 4.2 voor richtlijn voor monitoring). Verhoogde levertransaminase De behandeling met upadacitinib werd in verband gebracht met een toegenomen incidentie van verhoogde leverenzymen in vergelijking met placebo (zie rubriek 4.8). Levertransaminasen dienen bij baseline te worden geëvalueerd en daarna bij routinecontroles van de patiënt. Een onmiddellijk onderzoek naar de oorzaak van verhoogde leverenzymen wordt aanbevolen om mogelijke gevallen van door het geneesmiddel geïnduceerde leverschade te kunnen identificeren. Als een toename van ALAT en ASAT wordt waargenomen tijdens routinecontroles van de patiënt en door het geneesmiddel geïnduceerde leverschade wordt vermoed, moet de behandeling met upadacitinib worden onderbroken tot deze diagnose wordt uitgesloten. Veneuze trombo-embolie Er zijn in klinische onderzoeken voor upadacitinib voorvallen van diepe veneuze trombose (DVT) en longembolie (PE, pulmonary embolism) waargenomen. In een groot gerandomiseerd onderzoek met actieve comparator naar tofacitinib (een andere JAK-remmer) bij patiënten met reumatoïde artritis van 50 jaar en ouder met minimaal één bijkomende cardiovasculaire risicofactor, is bij tofacitinib een hoger aantal dosisafhankelijke gevallen van VTE, waaronder DVT en PE, gezien dan bij TNF-remmers. Bij patiënten met risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen of maligniteiten (zie ook rubriek 4.4 'Ernstige ongewenste cardiovasculaire voorvallen' en 'Maligniteiten') dient upadacitinib alleen te worden gebruikt als er geen geschikte behandelingsalternatieven voor hen beschikbaar zijn. Bij patiënten met andere bekende risicofactoren voor VTE dan de risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen of maligniteiten, dient upadacitinib met voorzichtigheid te worden gebruikt. Andere risicofactoren voor VTE dan de risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen of maligniteiten zijn eerdere VTE, patiënten bij wie een grote operatie is uitgevoerd, immobilisatie, gebruik van anticonceptieve hormonale combinatiepreparaten of hormoonsubstitutietherapie en erfelijke stollingsstoornissen. Patiënten dienen van tijd tot tijd opnieuw te worden geëvalueerd op verandering in het risico op VTE. Patiënten met klachten en symptomen van VTE dienen meteen te worden geëvalueerd en bij patiënten bij wie VTE wordt vermoed, dient de behandeling onmiddellijk te worden gestaakt, ongeacht de dosering. Retinale veneuze occlusie Retinale veneuze occlusie is gemeld bij patiënten die werden behandeld met JAK-remmers, waaronder upadacitinib. Patiënten moeten worden geadviseerd om onmiddellijk medische hulp te zoeken als ze symptomen ervaren die wijzen op retinale veneuze occlusie. Overgevoeligheidsreacties Er zijn bij patiënten die met upadacitinib zijn behandeld ernstige overgevoeligheidsreacties zoals anafylaxie en angio-oedeem gemeld. Als er een klinisch significante overgevoeligheidsreactie optreedt, dient de behandeling met upadacitinib te worden gestaakt en moet een geschikte therapie worden gestart (zie rubriek 4.3 en 4.8). Hypoglykemie bij patiënten die worden behandeld voor diabetes Er zijn meldingen geweest van hypoglykemie na aanvang van het gebruik van JAK-remmers, waaronder upadacitinib, bij patiënten die een behandeling voor diabetes krijgen. Het kan nodig zijn om de dosis van de antidiabetica aan te passen als er hypoglykemie optreedt. Medicijnresten in de ontlasting Bij patiënten die upadacitinib gebruikten, zijn meldingen van medicijnresten in de ontlasting of stoma-output gemeld. De meeste meldingen beschreven anatomische (bijv. ileostomie, colostomie, darmresectie) of functionele gastro-intestinale aandoeningen met verkorte gastro-intestinale passagetijden. Patiënten moeten worden geïnstrueerd om contact op te nemen met hun zorgverlener als er herhaaldelijk medicijnresten worden gevonden. Patiënten moeten klinisch worden gemonitord en een alternatieve behandeling moet worden overwogen als er onvoldoende therapeutische respons is. Reuscelarteriitis Monotherapie met upadacitinib mag niet worden gebruikt voor de behandeling van acute recidieven, aangezien de werkzaamheid in deze situatie niet is vastgesteld. Corticosteroïden dienen te worden gegeven volgens medisch oordeel en praktijkrichtlijnen.

Reumatoïde artritis

RINVOQ is geïndiceerd voor de behandeling van matige tot ernstige actieve reumatoïde artritis bij volwassen patiënten die onvoldoende hebben gereageerd op een of meer disease-modifying antirheumatic drugs (DMARD's) of die niet kunnen verdragen. RINVOQ kan worden gebruikt als monotherapie of in combinatie met methotrexaat.

Artritis psoriatica

RINVOQ is geïndiceerd voor de behandeling van actieve artritis psoriatica bij volwassen patiënten die onvoldoende hebben gereageerd op een of meer DMARD's of die niet kunnen verdragen. RINVOQ kan worden gebruikt als monotherapie of in combinatie met methotrexaat.

Axiale spondyloartritis

Niet-radiografische axiale spondyloartritis (nr-axSpA)

RINVOQ is geïndiceerd voor de behandeling van actieve, niet-radiografische axiale spondyloartritis bij volwassen patiënten met objectieve tekenen van ontsteking, zoals een verhoogd C-reactief proteïne (CRP) en/of magnetic resonance imaging (MRI), die onvoldoende hebben gereageerd op niet-steroïde ontstekingsremmers (NSAID's).

Spondylitis ankylopoetica (AS, radiografische axiale spondyloartritis)

RINVOQ is geïndiceerd voor de behandeling van actieve spondylitis ankylopoetica bij volwassen patiënten die onvoldoende hebben gereageerd op conventionele behandeling.

Atopische dermatitis

Welke stoffen zitten er in dit middel?

De werkzame stof in dit middel is upadacitinib.

RINVOQ 15 mg, tabletten met verlengde afgifte • Elke tablet met verlengde afgifte bevat upadacitinib-hemihydraat, gelijk aan 15 mg upadacitinib. • De andere stoffen in dit middel zijn: o Tabletkern: microkristallijne cellulose, mannitol, wijnsteenzuur, hypromellose, watervrij colloïdaal siliciumdioxide, magnesiumstearaat. o Filmomhulling: poly(vinylalcohol), macrogol, talk, titaniumdioxide (E171), ijzeroxide rood (E172), ijzeroxide zwart (E172).

RINVOQ 30 mg, tabletten met verlengde afgifte • Elke tablet met verlengde afgifte bevat upadacitinib-hemihydraat, gelijk aan 30 mg upadacitinib. • De andere stoffen in dit middel zijn: o Tabletkern: microkristallijne cellulose, mannitol, wijnsteenzuur, hypromellose, watervrij colloïdaal siliciumdioxide, magnesiumstearaat. o Filmomhulling: poly(vinylalcohol), macrogol, talk, titaniumdioxide (E171), ijzeroxide rood (E172).

RINVOQ 45 mg, tabletten met verlengde afgifte • Elke tablet met verlengde afgifte bevat upadacitinib-hemihydraat, gelijk aan 45 mg upadacitinib. • De andere stoffen in dit middel zijn: o Tabletkern: microkristallijne cellulose, mannitol, wijnsteenzuur, hypromellose, watervrij colloïdaal siliciumdioxide, magnesiumstearaat.

Gebruikt u nog andere geneesmiddelen? Gebruikt u naast RINVOQ nog andere geneesmiddelen, heeft u dat kort geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u binnenkort andere geneesmiddelen gaat gebruiken? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Dit is nodig omdat sommige geneesmiddelen de werking van RINVOQ kunnen verminderen of het risico om bijwerkingen te krijgen kunnen verhogen. Het is erg belangrijk dat u contact opneemt met uw arts of apotheker als u een van de volgende geneesmiddelen gebruikt: geneesmiddelen voor de behandeling van schimmelinfecties (zoals itraconazol, posaconazol of voriconazol); geneesmiddelen voor de behandeling van bacteriële infecties (zoals claritromycine) geneesmiddelen voor de behandeling van cushingsyndroom (zoals ketaconazol); geneesmiddelen voor de behandeling van tuberculose (zoals rifampicine); geneesmiddelen voor de behandeling van convulsies of toevallen (zoals fenytoïne) geneesmiddelen die uw immuunsysteem beïnvloeden (zoals azathioprine, 6-mercaptopurine, ciclosporine en tacrolimus) geneesmiddelen die uw risico op een gaatje in de maag/darmen of diverticulitis verhogen, zoals ontstekingsremmers (NSAID's) die de koorts lager maken en een ontsteking minder erg maken (doorgaans gebruikt voor behandeling van pijnlijke en/of ontstoken spieren of gewrichten) en/of sterke pijnstillers (opiaten) en/of geneesmiddelen die ontstekingen en allergische reacties minder erg maken (corticosteroïden) geneesmiddelen voor de behandeling van diabetes, of als u diabetes heeft. Uw arts kan beslissen of u tijdens het gebruik van upadacitinib minder medicijnen tegen diabetes (suikerziekte) nodig heeft. Als een van de bovenstaande voorbeelden op u van toepassing is, neem dan contact op met uw arts of apotheker voordat u dit middel gebruikt.

4.8 Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Bij de placebogecontroleerde klinische onderzoeken naar reumatoïde artritis, artritis psoriatica en axiale spondyloartritis waren de meest gemelde bijwerkingen (≥ 2% van de patiënten bij ten minste één van de indicaties met het hoogste percentage onder de genoemde indicaties) met 15 mg upadacitinib: infecties van de bovenste luchtwegen (19,5%), verhoogde creatinekinase (CK) in het bloed (8,6%), verhoogde alanineaminotransferase (4,3%) bronchitis (3,9%), misselijkheid (3,5%), neutropenie (2,8%), hoesten (2,2%), verhoogde aspartaataminotransferase (2,2%) en hypercholesterolemie (2,2%).

Bij de placebogecontroleerde klinische onderzoeken naar atopische dermatitis waren de meest gemelde bijwerkingen (≥ 2% van de patiënten) met 15 mg of 30 mg upadacitinib infectie van de bovenste luchtwegen (25,4%), acne (15,1%), herpes simplex (8,4%), hoofdpijn (6,3%), verhoogde CK in het bloed (5,5%), hoesten (3,2%), folliculitis (3,2%), buikpijn (2,9%), misselijkheid (2,7%), neutropenie (2,3%), pyrexie (2,1%) en influenza (2,1%).

In de placebogecontroleerde klinische onderzoeken naar de inductie- en onderhoudsdosis voor colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn waren de meest gemelde bijwerkingen (≥ 3% van de patiënten) bij 45 mg, 30 mg of 15 mg upadacitinib een bovensteluchtweginfectie (19,9%), pyrexie (8,7%), verhoogde creatinekinase (CK) in het bloed (7,6%), anemie (7,4%), hoofdpijn (6,6%), acne (6,3%), herpes zoster (6,1%), neutropenie (6,0%), rash (5,2%), pneumonie (4,1%), hypercholesterolemie (4,0%), bronchitis (3,9%), verhoogde aspartaataminotransferase (3,9%), vermoeidheid (3,9%), folliculitis (3,6%), verhoogde alanineaminotransferase (3,5%), herpes simplex (3,2%) en influenza.

Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?

U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6. U heeft een ernstige infectie (zoals longontsteking of een bacteriële huidinfectie); U heeft actieve tuberculose (tbc); U heeft ernstige leverproblemen; U bent zwanger (zie de rubriek Zwangerschap, borstvoeding en anticonceptie).

Zwangerschap
RINVOQ mag niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt.

Borstvoeding
Als u borstvoeding geeft of van plan bent dit te doen, neem dan contact op met uw arts voordat u dit geneesmiddel gebruikt. U mag RINVOQ niet gebruiken als u borstvoeding geeft omdat het niet bekend is of dit geneesmiddel in de moedermelk terechtkomt. U en uw arts moeten beslissen of u borstvoeding geeft of dat u RINVOQ gebruikt. U mag niet allebei doen.

Anticonceptie
Als u een vrouw bent die kinderen kan krijgen, moet u doeltreffende anticonceptie gebruiken om te voorkomen dat u zwanger wordt tijdens uw gebruik van RINVOQ en gedurende minimaal 4 weken na uw laatste RINVOQ-dosis. Als u tijdens deze periode zwanger wordt, moet u dit onmiddellijk aan uw arts melden.

Informeer de arts indien uw kind voor het eerst menstrueert tijdens het gebruik van RINVOQ.

Hoe neemt u dit middel in?

• Slik de tablet in zijn geheel door met water. U mag de tablet vóór het inslikken niet splitsen, fijnmalen, kauwen of breken omdat hierdoor de hoeveelheid geneesmiddel die in uw lichaam komt, kan veranderen.

• Als geheugensteuntje om RINVOQ in te nemen, neemt u het middel elke dag op dezelfde tijd in.

• De tabletten mogen met of zonder voedsel worden ingenomen.

• Slik het droogmiddel niet in.

• Eet en drink geen voedingsmiddelen of dranken die grapefruit bevatten, zolang u RINVOQ inneemt (of met RINVOQ wordt behandeld). Deze kunnen de kans op bijwerkingen namelijk verhogen doordat ze de hoeveelheid geneesmiddel in uw lichaam verhogen.

CNK 3963154
Organisaties Abbvie
Merken Abbvie
Breedte 106 mm
Lengte 168 mm
Diepte 71 mm
Actieve ingrediënten upadacitinib
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)