Mayzent 1,00mg Filmomh Tabl 28
Op voorschrift
Geneesmiddel

Mayzent 1,00mg Filmomh Tabl 28

  € 1.511,59

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 12,80 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 8,50 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Niet beschikbaar

Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.

Infecties Risico op infecties Een essentieel farmacodynamisch effect van siponimod is een dosis-afhankelijke afname van het aantal perifere lymfocyten tot 20‑30% van de baselinewaarden. Dit is het gevolg van de reversibele isolatie van lymfocyten in het lymfeweefsel (zie rubriek 5.1). De effecten van siponimod op het immuunsysteem kunnen het risico op infecties verhogen (zie rubriek 4.8). Vóór de start van de behandeling moet een recent compleet bloedbeeld (CBC) (d.w.z. van de laatste 6 maanden of na het stopzetten van een eerdere behandeling) beschikbaar zijn. Periodiek bepalen van het CBC wordt ook aanbevolen 3-4 maanden na de start van de behandeling en minstens jaarlijks daarna, en in geval van verschijnselen van infectie. Een absoluut aantal lymfocyten <� 0,2 x 10^9/l, indien bevestigd, moet leiden tot een dosisverlaging tot 1 mg, omdat in klinische studies de dosis siponimod verlaagd werd bij patiënten met absolute aantallen lymfocyten <� 0,2 x 10^9/l. Bevestigde absolute aantallen lymfocyten <� 0,2 x 10^9/l bij een patiënt die al siponimod 1 mg krijgt, dient te leiden tot onderbreking van de behandeling met siponimod. Wanneer het niveau van 0,6 x 10^9/l wordt bereikt, kan herstart van siponimod overwogen worden. Het starten van de behandeling dient uitgesteld te worden bij patiënten met een ernstige actieve infectie totdat deze is verdwenen. Omdat residuele farmacodynamische effecten, zoals verlagende effecten op het perifere aantal lymfocyten, 3 tot 4 weken kunnen aanhouden na stopzetting van de behandeling is waakzaamheid voor infectie geboden tijdens deze periode (zie de rubriek hieronder over 'Staken van de behandeling met siponimod'). Patiënten dienen geïnstrueerd te worden om symptomen van infectie direct te melden aan hun arts. Doeltreffende diagnostische en therapeutische strategieën dienen te worden aangewend bij patiënten met symptomen van infectie tijdens de behandeling. Onderbreking van de behandeling met siponimod moet worden overwogen als een patiënt een ernstige infectie ontwikkelt. Gevallen van cryptokokkenmeningitis (CM) zijn gemeld voor siponimod. Bij patiënten met klachten en verschijnselen die passen bij CM dient onmiddellijk diagnostisch onderzoek te worden gedaan. De behandeling met siponimod dient te worden gestaakt totdat CM is uitgesloten. Als CM wordt vastgesteld, dient een gepaste behandeling opgestart te worden. Progressieve multifocale leuko-encefalopathie Gevallen van progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML) zijn gemeld voor siponimod (zie rubriek 4.8). Artsen dienen alert te zijn op klinische symptomen of 'Magnetic Resonance Imaging' (MRI) bevindingen die kunnen wijzen op PML. Als PML vermoed wordt, dient de behandeling met siponimod te worden gestaakt totdat PML is uitgesloten. Als PML bevestigd wordt, dient de behandeling met siponimod te worden stopgezet. Immuunreconstitutie-ontstekingssyndroom (Immune reconstitution inflammatory syndrome, IRIS) is gemeld bij patiënten die werden behandeld met sfingosine-1-fosfaat (S1P)-receptormodulatoren, waaronder siponimod, die PML ontwikkelden en vervolgens de behandeling staakten. IRIS presenteert zich als een klinische achteruitgang van de toestand van de patiënt die snel kan zijn, kan leiden tot ernstige neurologische complicaties of overlijden, en vaak gepaard gaat met kenmerkende veranderingen op MRI. De tijd tot aanvang van IRIS bij patiënten met PML was meestal weken tot maanden na stopzetting van de S1P-receptormodulator. Er dient te worden gecontroleerd op de ontwikkeling van IRIS en er moet een passende behandeling van de bijbehorende ontsteking worden uitgevoerd. Herpesvirusinfectie Gevallen van een herpesvirusinfectie (waaronder gevallen van meningitis of meningo-encefalitis veroorzaakt door varicellazostervirussen [VZV]) zijn op elk moment tijdens de behandeling met siponimod opgetreden. Als herpes meningitis of meningo-encefalitis optreden, moet siponimod worden stopgezet en moet een geschikte behandeling voor de desbetreffende infectie worden toegediend. Patiënten zonder een door een arts bevestigde voorgeschiedenis van varicella of zonder een gedocumenteerde volledige vaccinatie tegen VZV dienen getest te worden op antilichamen tegen VZV voor de start van de behandeling met siponimod (zie rubriek 'Vaccinatie' hieronder). Vaccinatie Een volledige vaccinatie van antilichaam‑negatieve patiënten met het varicellavaccin wordt aanbevolen vóór de start van de behandeling met siponimod. De start van de behandeling dient met 1 maand uitgesteld te worden om het volledige effect van de vaccinatie te laten optreden (zie rubriek 4.8). Het gebruik van levend verzwakte vaccins dient vermeden te worden wanneer patiënten siponimod gebruiken en gedurende 4 weken na het stoppen van de behandeling (zie rubriek 4.5). Andere soorten vaccins kunnen minder effectief zijn wanneer ze toegediend worden tijdens de behandeling met siponimod (zie rubriek 4.5). Het wordt aanbevolen de behandeling 1 week vóór de geplande vaccinatie stop te zetten en tot 4 weken daarna. Wanneer de behandeling met siponimod wordt stopgezet voor vaccinatie, dient de mogelijkheid van opnieuw optreden van ziekteactiviteit overwogen te worden (zie hieronder rubriek "Staken van de behandeling met siponimod"). Gelijktijdige behandeling met antineoplastica, immunomodulentia of immunosuppressiva Bij het gelijktijdig gebruik van antineoplastische, immunomodulerende of immunosuppressieve behandelingen (waaronder corticosteroïden) is voorzichtigheid geboden vanwege het risico op additieve effecten op het immuunsysteem tijdens een dergelijke behandeling (zie rubriek 4.5). Macula‑oedeem Macula‑oedeem met of zonder visuele symptomen werd vaker gemeld in de klinische fase III‑studie bij patiënten behandeld met siponimod (1,8%) dan met placebo (0,2%) (zie rubriek 4.8). Het merendeel van de gevallen trad op in de eerste 3‑4 maanden van de behandeling. Daarom wordt 3‑4 maanden na de start van de behandeling een oogheelkundig onderzoek aanbevolen. Omdat gevallen van macula‑oedeem ook zijn opgetreden bij langdurige behandeling, dienen patiënten gezichtsstoornissen te rapporteren op elk moment gedurende de behandeling met siponimod en wordt een onderzoek van de oogfundus, inclusief macula, aanbevolen. Behandeling met siponimod dient niet opgestart te worden bij patiënten met macula-oedeem totdat dit verholpen is. Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van siponimod bij patiënten met een voorgeschiedenis van diabetes mellitus, uveïtis of een onderliggende/gelijktijdige retina‑aandoening vanwege een mogelijk verhoogd risico op macula‑oedeem (zie rubriek 4.8). Het wordt aanbevolen om deze patiënten een oogheelkundig onderzoek te laten ondergaan voorafgaand aan de start van de behandeling en regelmatig tijdens de behandeling met siponimod, om macula‑oedeem op te sporen. Voortzetting van de behandeling met siponimod bij patiënten met macula‑oedeem is niet onderzocht. Het wordt aanbevolen de behandeling met siponimod te staken als een patiënt macula‑oedeem ontwikkelt. Bij de beslissing om de behandeling met siponimod al dan niet te herstarten na het verdwijnen van het macula-oedeem, dienen de mogelijke voor‑ en nadelen voor de individuele patiënt overwogen te worden. Bradyaritmie Het initiëren van een behandeling met siponimod resulteert in een tijdelijke afname van de hartslag en kan ook gepaard gaan met vertragingen van de atrioventriculaire geleiding (zie rubriek 4.8 en 5.1). Daarom wordt een titratieschema toegepast aan het begin van de behandeling om de onderhoudsdosis op dag 6 te bereiken (zie rubriek 4.2). De daling van de hartslag start binnen het uur na de eerste titratiedosis en deze daling is op dag 1 maximaal na ongeveer 3 tot 4 uur. Bij voortzetting van de dosistitratie worden meer dalingen van de hartslag gezien in de daaropvolgende dagen, met een maximale verlaging ten opzichte van dag 1 (baseline) op dag 5 tot 6. De grootste dagelijkse afname van de absolute hartslag per uur na toediening, werd gezien op dag 1, waarbij de hartslag gemiddeld 5 tot 6 slagen per minuut (bpm) afnam. De dalingen na toediening in de daaropvolgende dagen zijn minder uitgesproken. Bij een continue toediening neemt de hartslag na dag 6 weer toe en bereikt deze placebowaarden binnen 10 dagen na de start van de behandeling. Hartslagfrequenties van lager dan 40 bpm zijn zelden gezien. De vertragingen van de atrioventriculaire geleiding uitten zich in de meeste gevallen als eerstegraads atrioventriculaire (AV) blokken (verlengd PR‑interval op het elektrocardiogram). In klinische studies zijn tweedegraads AV‑blokken, doorgaans type Mobitz-I (Wenckebach), gezien bij minder dan 1,7% van de patiënten bij de start van de behandeling. De meeste gevallen van bradyaritmische effecten of vertragingen van de atrioventriculaire geleiding waren asymptomatisch, tijdelijk en verdwenen binnen 24 uur. Het was niet nodig de behandeling te staken. Mochten er post-dosissymptomen optreden (duizeligheid, niet-cardiale pijn op de borst en hoofdpijn), dan moet een passende klinische behandeling worden gestart en moet de monitoring worden voortgezet totdat de symptomen zijn verdwenen. Indien nodig, kan de afname van de hartslag, geïnduceerd door siponimod, worden tenietgedaan door parenterale doses atropine of isoprenaline. Aanbeveling voor de start van de behandeling bij patiënten met bepaalde bestaande hartaandoeningen Als voorzorgsmaatregel dienen patiënten met de volgende hartaandoeningen gedurende een periode van 6 uur na de eerste dosis siponimod te worden gecontroleerd op klachten en verschijnselen van bradycardie (zie ook rubriek 4.3): sinusbradycardie (hartslag <� 55 bpm), voorgeschiedenis van eerste‑ of tweedegraads AV‑blok [type Mobitz-I], voorgeschiedenis van myocardinfarct, voorgeschiedenis van hartfalen (patiënten met NYHAklasse I en II). Het wordt aanbevolen dat deze patiënten een elektrocardiogram (ECG) ondergaan vóór toediening en aan het einde van de observatieperiode. Als na toediening bradyaritmie of geleidingsgerelateerde klachten optreden of als het ECG 6 uur na toediening een nieuw tweedegraads of hoger AV‑blok laat zien of een QTc ≥ 500 msec, dient een geschikte behandeling te worden geïnitieerd en de observatie voortgezet te worden totdat de klachten/bevindingen zijn verdwenen. Als een farmacologische behandeling nodig is, dient de monitoring gedurende de nacht vervolgd te worden en de controleperiode van 6 uur herhaald te worden na de tweede dosis. Vanwege het risico op ernstige hartritmestoornissen of significante bradycardie dient siponimod niet te worden gebruikt bij patiënten met: een voorgeschiedenis van symptomatische bradycardie of terugkerende syncope, ongecontroleerde hypertensie, of ernstige onbehandelde slaapapneu. Bij deze patiënten dient de behandeling met siponimod alleen te worden overwogen indien de verwachte voordelen opwegen tegen de potentiële risico's en advies van een cardioloog dient te worden ingewonnen vóór de start van de behandeling om de meest geschikte monitoringstrategie te bepalen. Een grondige QT‑studie toonde geen significant direct QT‑verlengend effect en siponimod werd niet in verband gebracht met een aritmogeen potentieel door QT‑verlenging. De start van de behandeling kan leiden tot een daling van de hartslag en indirecte verlenging van het QT‑interval tijdens de titratiefase. Siponimod werd niet onderzocht bij patiënten met een significante QT‑verlenging (QTc > 500 msec) of bij patiënten die werden behandeld met geneesmiddelen die de QT verlengen. Als behandeling met siponimod wordt overwogen bij patiënten met een al bestaande significante QT‑verlenging of die al behandeld worden met QT‑verlengende geneesmiddelen met bekende aritmogene eigenschappen, dient advies van een cardioloog te worden ingewonnen voor de start van de behandeling om de meest geschikte monitoringstrategie tijdens de start van de behandeling te bepalen. Siponimod is niet onderzocht bij patiënten met aritmieën die behandeling vereisen met antiaritmica van klasse Ia (bijv. kinidine, procaïnamide) of klasse III (bijv. amiodaron, sotalol). Klasse Ia- en klasse III-antiaritmica zijn geassocieerd met gevallen van torsade de pointes bij patiënten met bradycardie. Aangezien de start van de behandeling leidt tot een verlaagde hartslag, dient siponimod niet gelijktijdig met deze geneesmiddelen gebruikt te worden tijdens de start van de behandeling. De ervaring is beperkt bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met hartslagverlagende calciumkanaalblokkers (zoals verapamil of diltiazem), of andere stoffen die de hartslag kunnen verlagen (bijv. ivabradine of digoxine) aangezien deze geneesmiddelen niet zijn bestudeerd bij patiënten die siponimod kregen in klinische onderzoeken. Gelijktijdig gebruik van deze stoffen bij de start van de behandeling kan gepaard gaan met ernstige bradycardie en hartblok. Vanwege het mogelijke additieve effect op de hartslag dient behandeling met siponimod in het algemeen niet te worden gestart bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met deze stoffen (zie rubriek 4.5). Bij dergelijke patiënten dient behandeling met siponimod alleen te worden overwogen als de verwachte voordelen opwegen tegen de potentiële risico's. Als gelijktijdige behandeling met een van de hierboven genoemde stoffen wordt overwogen tijdens de start van de behandeling met siponimod, dient advies van een cardioloog te worden ingewonnen betreffende het overschakelen op een geneesmiddel dat de hartslag niet verlaagt of het bepalen van een geschikte monitoring bij de start van de behandeling. Bradyaritmische effecten zijn sterker aanwezig wanneer siponimod wordt toegevoegd aan een behandeling met bètablokkers. Voor patiënten die een stabiele dosis bètablokkers krijgen, dient rekening te worden gehouden met de hartslag in rust voordat de behandeling gestart wordt. Als de hartslag in rust >50 bpm is bij een chronische behandeling met bètablokkers kan siponimod gestart worden. Als de hartslag in rust ≤50 bpm is, dient de behandeling met bètablokkers onderbroken te worden totdat de hartslag weer op de baselinewaarde van >50 bpm is. De behandeling met siponimod kan dan worden gestart en de behandeling met de bètablokker kan opnieuw worden gestart nadat siponimod getitreerd is tot de beoogde onderhoudsdosis (zie rubriek 4.5). Leverfunctie Recente (d.w.z. van de laatste 6 maanden) transaminase‑ en bilirubinewaarden dienen beschikbaar te zijn voor het starten van de behandeling met siponimod. In de klinische fase III‑studie werden alanineaminotransferase (ALAT)- of aspartaataminotransferase (ASAT)-waarden gezien van drie keer de ULN (upper limit of normal) bij 5,6% van de patiënten die behandeld werden met siponimod 2 mg in vergelijking met 1,5% van de patiënten die placebo kregen (zie rubriek 4.8). In klinische studies werd de behandeling stopgezet als de verhoging groter was dan een 3-voudige toename en de patiënt klachten had met betrekking tot de leverfunctie of als de verhoging groter was dan een 5‑voudige toename. In het klinische fase III-onderzoek voldeed 1% van alle stopzettingen aan een van deze criteria. Bij patiënten die symptomen ontwikkelen die duiden op een gestoorde leverfunctie dienen de leverenzymen gecontroleerd te worden en de behandeling met siponimod gestaakt te worden als er een significante leverbeschadiging wordt bevestigd. Of de behandeling kan worden hervat hangt af van het kunnen vaststellen van een andere oorzaak voor de leverbeschadiging en van de afweging van de voordelen voor de patiënt bij hervatting van de behandeling versus de risico's op terugkeer van de leverfunctiestoornis. Hoewel er geen data beschikbaar zijn waaruit geconcludeerd kan worden dat bij patiënten met een bestaande leveraandoening sprake is van een verhoogd risico op het ontwikkelen van verhoogde leverfunctietestwaarden bij het gebruik van siponimod, is voorzichtigheid geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van een significante leveraandoening. Huidkanker Basaalcelcarcinoom (BCC) en andere huidtumoren, waaronder plaveiselcelcarcinoom (PCC), en maligne melanoom, zijn gemeld bij patiënten die met siponimod werden behandeld, vooral bij patiënten met een langere behandelingsduur (zie rubriek 4.8). Huidonderzoek wordt aanbevolen bij alle patiënten bij de start van de behandeling en daarna elke 6 tot 12 maanden met inachtneming van klinische beoordeling. Zorgvuldige huidonderzoeken moeten ook bij een langere behandelingsduur worden voortgezet. Patiënten moeten worden geadviseerd om verdachte huidlaesies onmiddellijk aan hun arts te melden. Patiënten die behandeld worden met siponimod, dienen het dringend advies te krijgen zich niet zonder bescherming bloot te stellen aan zonlicht. Deze patiënten mogen geen gelijktijdige fototherapie met UV‑B‑straling of PUVA‑fotochemotherapie krijgen. Onverwachte neurologische of psychiatrische klachten/verschijnselen Zeldzame gevallen van posterieur reversibel encefalopathie-syndroom (PRES) zijn gemeld voor een andere S1P‑receptormodulator. Dergelijke voorvallen zijn niet gemeld tijdens de klinische studies met siponimod. Als een patiënt die behandeld wordt met siponimod echter onverwachte neurologische of psychische klachten/verschijnselen (bijv. cognitieve stoornissen, gedragsveranderingen, corticale visuele stoornissen of andere neurologische corticale klachten/verschijnselen of klachten/verschijnselen die wijzen op een verhoging van de intracraniale druk) of versnelde neurologische achteruitgang ontwikkelt, dient direct een volledig lichamelijk en neurologisch onderzoek gepland te worden en een MRI overwogen te worden. Eerdere behandeling met immunosuppressieve of immunomodulerende therapieën Bij het overschakelen van een andere ziektemodificerende behandeling moet rekening worden gehouden met de halfwaardetijd en het werkingsmechanisme van de andere therapie om een additief immuuneffect te voorkomen, terwijl tegelijkertijd het risico van ziektereactivering geminimaliseerd dient te worden. Het vaststellen van het aantal perifere lymfocyten (CBC) wordt aanbevolen voorafgaand aan de start van siponimod, om ervoor te zorgen dat de immuunsysteemeffecten van de eerdere therapie (d.w.z. cytopenie) zijn verdwenen. Vanwege de eigenschappen en de duur van de immunosuppressieve effecten van alemtuzumab die in de productinformatie beschreven staan, wordt starten van de behandeling met siponimod na alemtuzumab niet aanbevolen. Over het algemeen kan men direct na het stopzetten van bèta‑interferon of glatirameeracetaat starten met siponimod. Effecten op de bloeddruk Patiënten met hypertensie, die ondanks geneesmiddelen niet onder controle was, waren uitgesloten van deelname aan klinische studies. Speciale zorg is geïndiceerd als patiënten met hypertensie die niet onder controle is, worden behandeld met siponimod. In de klinische fase III‑studie met SPMS-patiënten werd hypertensie vaker gemeld bij patiënten die behandeld werden met siponimod (12,6%) dan bij patiënten die placebo kregen (9,0%). De behandeling met siponimod leidde tot een stijging van de systolische en diastolische bloeddruk. Deze stijging begon snel na de start van de behandeling en het maximale effect werd bereikt na ongeveer 6 maanden behandeling (systolisch 3 mmHg, diastolisch 1,2 mmHg) en bleef daarna stabiel. Het effect hield aan bij voortgezette behandeling. De bloeddruk dient regelmatig gecontroleerd te worden tijdens de behandeling met siponimod. CYP2C9‑genotype Voor de start van de behandeling met siponimod moet bij patiënten het genotype voor CYP2C9 worden bepaald om hun metaboliseerderstatus voor CYP2C9 te bepalen (zie rubriek 4.2). Patiënten die homozygoot zijn voor CYP2C9*3 (CYP2C9*3*3‑genotype: ongeveer 0,3 tot 0,4% van de populatie) mogen niet met siponimod behandeld worden. Het gebruik van siponimod bij deze patiënten leidt tot aanzienlijk verhoogde plasmawaarden van siponimod. De aanbevolen onderhoudsdosis is 1 mg per dag bij patiënten met een CYP2C9*2*3‑genotype (1,4‑1,7% van de populatie) en bij patiënten met een *1*3‑genotype (9‑12% van de populatie), om een verhoogde blootstelling aan siponimod te vermijden (zie rubriek 4.2 en 5.2). Vrouwen die zwanger kunnen worden Vanwege het risico voor de foetus is siponimod gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap en bij vrouwen die zwanger kunnen worden en die geen effectieve anticonceptie gebruiken. Vrouwen die zwanger kunnen worden, moeten vóór aanvang van de behandeling worden geïnformeerd over dit risico voor de foetus en een negatief zwangerschapstestresultaat hebben. Zij moeten effectieve anticonceptie gebruiken tijdens de behandeling en gedurende minstens 10 dagen na het staken van de behandeling (zie rubriek 4.3 en 4.6). Staken van de behandeling met siponimod Ernstige exacerbatie (relapse, schub, opstoot) van de ziekte, waaronder ziekterebound, is zelden gemeld na het staken van een andere S1P‑receptormodulator. De mogelijkheid van ernstige exacerbatie van de ziekte na het stoppen van de behandeling met siponimod dient in acht genomen te worden. Patiënten dienen gecontroleerd te worden op relevante verschijnselen van mogelijk ernstige exacerbatie of terugkeer van hoge ziekteactiviteit bij het staken van de behandeling met siponimod en indien nodig dient een geschikte behandeling te worden ingesteld. Nadat de behandeling met siponimod is stopgezet, blijft siponimod nog maximaal 10 dagen in het bloed. Het starten van andere behandelingen tijdens deze periode zal leiden tot gelijktijdige blootstelling aan siponimod. Na het stoppen van de behandeling met siponimod in het kader van PML, wordt aanbevolen om de patiënt te controleren op de ontwikkeling van immuunreconstitutie-ontstekingssyndroom (PML-IRIS) (zie de rubriek 'Progressieve multifocale leuko-encefalopathie' hierboven). Bij het merendeel van de SPMS‑patiënten (90%) keert het lymfocytenaantal terug naar het normale bereik binnen 10 dagen na het stoppen van de behandeling. Residuele farmacodynamische effecten, zoals verlagende effecten op het perifere lymfocytenaantal, kunnen echter aanhouden tot maximaal 3‑4 weken na de laatste dosis. Gebruik van immunosuppressiva in deze periode kan resulteren in een additief effect op het immuunsysteem. Daarom is voorzichtigheid geboden gedurende 3 tot 4 weken na de laatste dosis. Verstoring van hematologische testen Aangezien siponimod het aantal lymfocyten in het bloed vermindert door herdistributie in secundaire lymfoïde organen, kan een bepaling van het aantal lymfocyten in het perifere bloed niet gebruikt worden om de status van de lymfocyten‑subsets vast te stellen van een met siponimod behandelde patiënt. Laboratoriumtesten waarvoor circulerende mononucleaire cellen nodig zijn, vereisen grotere bloedvolumes vanwege afname van het aantal circulerende lymfocyten. Hulpstoffen De tabletten bevatten sojalecithine. Patiënten die overgevoelig zijn voor pinda's of soja mogen siponimod niet gebruiken (zie rubriek 4.3). De tabletten bevatten lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose‑intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose‑galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.

Mayzent wordt gebruikt voor de behandeling van volwassenen met secundaire progressieve multiple sclerose (SPMS) met actieve ziekte. Actieve ziekte bij SPMS wil zeggen dat er nog steeds exacerbaties (aanvallen/schubs/opstoten) zijn of dat er op een MRI-scan (beeldvorming met behulp van magnetisch veld) nog tekenen van een ontsteking te zien zijn.

  • Elke tablet bevat 1 mg siponimod (als siponimod-fumaarzuur).
  • De andere stoffen in dit middel zijn:

Tabletkern: lactosemonohydraat (zie 'Mayzent bevat lactose en sojalecithine' in rubriek 2), microkristallijne cellulose, crospovidon, glyceroldibehenaat, watervrij colloïdaal siliciumdioxide.
Tabletomhulsel: polyvinylalcohol, titaandioxide (E171), ijzeroxide rood (E172), ijzeroxide zwart (E172), talk, sojalecithine (zie 'Mayzent bevat lactose en sojalecithine' in rubriek 2), xanthaangom.

Behandelingen met antineoplastica, immunomodulentia of immunosuppressiva Siponimod is niet onderzocht in combinatie met behandelingen met antineoplastica, immunomodulentia of immunosuppressiva. Voorzichtigheid is geboden bij gelijktijdige toediening vanwege het risico op additieve immuuneffecten tijdens een dergelijke behandeling en in de weken nadat de toediening van deze geneesmiddelen is gestopt (zie rubriek 4.4). Vanwege de eigenschappen en de duur van de immunosuppressieve effecten van alemtuzumab die in de productinformatie beschreven staan, wordt het starten van de behandeling met siponimod na alemtuzumab niet aanbevolen tenzij de voordelen van de behandeling duidelijk opwegen tegen de risico's voor de individuele patiënt (zie rubriek 4.4). Antiaritmica, geneesmiddelen die de QT verlengen, geneesmiddelen die de hartslag kunnen verlagen Tijdens de start van de behandeling dient siponimod niet gelijktijdig te worden gebruikt bij patiënten die antiaritmica uit klasse Ia (bijv. kinidine, procaïnamide) of klasse III (bijv. amiodaron, sotalol), QT‑verlengende geneesmiddelen met bekende aritmogene eigenschappen, hartslagverlagende calciumkanaalblokkers (zoals verapamil of diltiazem) of andere stoffen die de hartslag kunnen verlagen (bijv. ivabradine of digoxine) krijgen, vanwege de mogelijk additieve effecten op de hartslag (zie rubriek 4.4). Er zijn geen gegevens beschikbaar over gelijktijdig gebruik van deze geneesmiddelen met siponimod. Gelijktijdig gebruik van deze stoffen tijdens de start van de behandeling kan gepaard gaan met ernstige bradycardie en hartblok. Vanwege het potentieel additieve effect op de hartslag, mag behandeling met siponimod over het algemeen niet worden gestart bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met deze stoffen (zie rubriek 4.4). Als behandeling met siponimod wordt overwogen, dient advies van een cardioloog te worden gezocht betreffende het overschakelen op een geneesmiddel dat de hartslag niet verlaagt of het bepalen van een geschikte monitoring bij de start van de behandeling. Bètablokkers Voorzichtigheid is geboden wanneer siponimod wordt gestart bij patiënten die bètablokkers krijgen vanwege de additieve effecten op het verlagen van de hartslag (zie rubriek 4.4). De behandeling met bètablokkers kan worden gestart bij patiënten die een stabiele dosis siponimod krijgen. Het negatieve chronotrope effect van de gelijktijdige toediening van siponimod en propranolol werd beoordeeld in een specifieke farmacodynamische/veiligheidsstudie. De toevoeging van propranolol bovenop de farmacokinetische/farmacodynamische steady‑state van siponimod had minder uitgesproken negatieve chronotrope effecten (minder dan additief) in vergelijking met de toevoeging van siponimod bovenop de farmacokinetische/farmacodynamische steady‑state van propranolol (additief effect op hartslag). Vaccinatie Het gebruik van levend verzwakte vaccins kan een risico op infectie opleveren en dient daarom vermeden te worden tijdens de behandeling met siponimod en gedurende 4 weken na de behandeling (zie rubriek 4.4). Tijdens en tot 4 weken na behandeling met siponimod kunnen vaccinaties minder effectief zijn. De werkzaamheid van een vaccinatie wordt niet verstoord wanneer de behandeling met siponimod 1 week voorafgaand tot 4 weken na de vaccinatie wordt onderbroken. In een specifieke fase I-studie bij gezonde vrijwilligers is gelijktijdige behandeling met siponimod en griepvaccins of een kortere behandelingspauze van 10 dagen voorafgaand tot 14 dagen na de vaccinatie onderzocht. Dit toonde lagere responspercentages (ongeveer 15% tot 30% lager) in vergelijking met placebo, terwijl de werkzaamheid van een PPV 23-vaccinatie niet werd verstoord door gelijktijdige behandeling met siponimod (zie rubriek 4.4). Potentieel van andere geneesmiddelen om de farmacokinetiek van siponimod te beïnvloeden Cytochroom P450 (CYP2C9) is het belangrijkste metaboliserende enzym van siponimod, verantwoordelijk voor 79,5% van het metabolisme bij normale metaboliseerders met het CYP2C9*1*1-genotype. De resterende eliminatie van siponimod wordt toegeschreven aan verschillende andere cytochromen, die elk verantwoordelijk zijn voor een klein deel van de eliminatie. CYP2C9‑remmers Gelijktijdig gebruik van siponimod en geneesmiddelen die matige of sterke CYP2C9-remming veroorzaken wordt niet aanbevolen omdat een respectievelijk 2- en 4-voudige, klinisch relevante toename van de blootstelling aan siponimod wordt verwacht. De gelijktijdige toediening van 200 mg fluconazol (gecombineerde matige CYP2C9/CYP3A4-remmer) per dag in steady‑state en een eenmalige dosis van 4 mg siponimod bij gezonde vrijwilligers met een CYP2C9*1*1‑genotype leidde tot een 2-voudige toename in het oppervlak onder de curve (area under the curve, AUC) van siponimod. Op basis van een beoordeling van de kans op interactie (door middel van fysiologisch gebaseerde farmacokinetische modellering), wordt een maximaal 2,2-voudige toename van de AUC voorspeld bij elk type matige CYP2C9‑remmer, afhankelijk van het CYP2C9-genotype. CYP2C9‑ en CYP3A4‑inductoren Siponimod kan gecombineerd worden met de meeste typen CYP2C9‑ en CYP3A4‑inductoren. Echter, vanwege een verwachte afname in de blootstelling van siponimod dienen de keuze en het mogelijke voordeel van de behandeling overwogen te worden wanneer siponimod wordt gecombineerd: - met gecombineerde krachtige CYP3A4‑/matige CYP2C9‑inductoren (bijv. rifampicine, carbamazepine) bij alle patiënten, onafhankelijk van het genotype. Gelijktijdige toediening van 2 mg siponimod en 600 mg rifampicine verlaagde de AUCtau,ss en Cmax,ss van siponimod met respectievelijk 57% en 45% bij proefpersonen met CYP2C9*1*1. - met matige CYP3A4‑inductoren (bijv. efavirenz, modafinil) bij patiënten met een CYP2C9*1*3‑ of *2*3‑genotype. De meest uitgesproken afname in de blootstelling aan siponimod met 35% (AUCtau,ss) en 39% (Cmax,ss) wordt voorspeld na gelijktijdige toediening van 1 mg siponimod per dag en 600 mg efavirenz per dag bij patiënten met het CYP2C9*1*3-genotype in vergelijking met patiënten met het CYP2C9*1*1-genotype die hun aanbevolen dosis van 2 mg siponimod krijgen zonder gelijktijdige medicatie. Er zijn geen klinische gegevens beschikbaar voor siponimod in combinatie met matige CYP3A4-inductoren. Orale anticonceptiva De gelijktijdige toediening van siponimod toonde geen klinisch relevante effecten op de farmacokinetiek en farmacodynamiek van het gecombineerde orale anticonceptivum (ethinylestradiol en levonorgestrel). De werkzaamheid van het onderzochte orale anticonceptivum bleef daarom behouden tijdens de behandeling met siponimod. Er is geen onderzoek naar interacties uitgevoerd met orale anticonceptiva die andere progestagenen bevatten. Er wordt echter geen effect van siponimod op de werkzaamheid van orale anticonceptiva verwacht.

  • Huiduitslag met kleine met vloeistof gevulde blaren die verschijnen op rood geworden huid (verschijnselen van een virale infectie die herpes zoster wordt genoemd en die ernstig kan zijn)
  • Een type huidkanker genaamd basaalcelcarcinoom (BCC) dat vaak verschijnt als een parelachtige knobbel, maar het kan ook andere vormen aannemen
  • Koorts, zere keel en/of mondzweren vanwege een infectie (lymfopenie)
  • Epileptische aanvallen, stuipen
  • Stoornissen in het gezichtsvermogen zoals een schaduw of een blinde vlek in het middelpunt van uw gezichtsvermogen, wazig zien, problemen met het zien van kleuren of details (verschijnselen van macula-oedeem, een zwelling in het maculaire gebied van het netvlies achterin uw oog)
  • Onregelmatige hartslag (atrioventriculair blok)
  • Trage hartslag (bradycardie)

U bent allergisch voor siponimod, pinda's, soja of een van de andere stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6.
U heeft een verminderde weerstand (immunodeficiëntiesyndroom).
U heeft ooit een zeer zeldzame herseninfectie (progressieve multifocale leukencefalopathie) of een soort schimmelinfectie in de hersenen (cryptokokkenhersenvliesontsteking) gehad.
U heeft een actieve kanker.
U heeft ernstige leverproblemen.
U heeft, in de afgelopen 6 maanden, een hartaanval, instabiele angina pectoris (een beklemmend, drukkend, pijnlijk gevoel op de borst), beroerte of bepaalde vormen van hartfalen gehad.
U heeft bepaalde vormen van onregelmatige of afwijkende hartslag (hartritmestoornis) en u heeft geen pacemaker.
Uit resultaten van bloedtesten blijkt dat uw lichaam dit geneesmiddel onvoldoende kan afbreken (zie 'Bloedtesten voor en tijdens de behandeling' hieronder).
U bent zwanger of zou zwanger kunnen worden en u gebruikt geen effectieve anticonceptie.

Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan contact op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel gebruikt. Gebruik Mayzent niet tijdens de zwangerschap, als u probeert zwanger te worden of als u een vrouw bent die zwanger kan worden en geen effectieve anticonceptie gebruikt. Als Mayzent wordt gebruikt tijdens de zwangerschap, kan dit schadelijk zijn voor de ongeboren baby. Als u een vrouw bent die zwanger kan worden, zal uw arts u vertellen wat het risico is voordat u start met de behandeling met Mayzent en u vragen of u een zwangerschapstest wilt doen om er zeker van te zijn dat u niet zwanger bent. Om te voorkomen dat u zwanger wordt, moet u effectieve anticonceptie gebruiken terwijl u Mayzent gebruikt en gedurende ten minste 10 dagen nadat u ermee gestopt bent. Vraag uw arts naar betrouwbare anticonceptiemethoden. Neem onmiddellijk contact op met uw arts als u toch zwanger wordt terwijl u Mayzent gebruikt. Uw arts zal besluiten om de behandeling stop te zetten (zie 'Als u stopt met het gebruik van dit middel' in rubriek 3). Er worden speciale prenatale controle-onderzoeken gedaan. U mag geen borstvoeding geven terwijl u Mayzent gebruikt. Mayzent kan overgaan in de borstvoeding, waardoor er een risico bestaat op bijwerkingen voor uw baby.

U krijgt een titratieverpakking waarmee uw dosis gedurende 5 dagen langzaam wordt verhoogd. Volg de instructies op de verpakking (zie ook de tabel 'Titratieverpakking').

De titratiefase is bedoeld om het risico op bijwerkingen van uw hart aan het begin van de behandeling te verlagen. Als bij u het risico bestaat dat uw hartslag trager of onregelmatig wordt, zal uw arts u nauwlettend in de gaten houden aan het begin van de behandeling.

CNK 4506754
Organisaties Novartis
Breedte 22 mm
Lengte 107 mm
Diepte 70 mm
Actieve ingrediënten siponimod fumaraat
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)